Pelophylax lessonae

Poelkikker

Uiterlijke kenmerken
Lichaamslengte tot 8 cm, meestal 4,5-6,5 cm. De vrouwtjes zijn het grootst. Vrij spitse snuit. Ogen staan dicht bij elkaar. Rug meestal grasgroen, vaak bruin of donkerbruin gevlekt. Soms ook helemaal bruin, de zijkant van de kop is dan meestal wel groen. Op de flanken zijn de vlekken vaak samengesmolten tot een soort lengteband. Meestal een lichtgroene lengtestreep midden op de rug. Liesstreek vaak opvallend geel tot oranje. Achterkant van de dijen geel of oranjeachtig, met donkerbruine vlekken. Buik wit, soms met grijze vlekken. Op de grens van flanken en rug klierlijsten, die net voor de achterpoten verspringen. Grote, harde, scherpgerande, halvemaanvormige metatarsusknobbel, tot half zo lang als de teen waarop hij staat. Goed ontwikkelde zwemvliezen aan de relatief korte achterpoten. Mannetjes in de paartijd uniform gelig met goudgele iris, grijze paringskussens op de duimen en twee witte kwaakblazen die aan weerszijden achter de mondhoeken liggen. Mannetjes hebben dikkere voorpoten dan vrouwtjes en de vlekken op hun lichaam zijn lichter gekleurd.

Verspreiding
Midden- en Noordoost Europa, oostelijk tot ver in Rusland. In Nederland met name op de pleistocene hogere zandgronden in het oosten en zuiden. Daarbuiten ook in de uiterwaarden van rivieren.

Biotoop
Voorkeur voor permanente, voedselarme, licht zure, zonbeschenen, waters op zandgrond in open landschappen, zoals heidevennen en wateren in hoogveen. De oevers moeten goed begroeid zijn. Ook in grotere bospoelen en waters op rivierklei. In het zuiden van zijn verspreidingsgebied ook in grotere, voedselrijke waters. In de Alpen tot 1500 meter hoogte.

Levenswijze
Actief van maart tot oktober. Vooral dagactief, maar met name in de paartijd (eind april tot begin juli) ook 's nachts. Zont langdurig overdag. Zit meestal in het water maar komt, met name 's nachts, aan land om te foerageren. Jonge dieren begeven zich vaker en verder van water dan volwassen dieren. Vormt grote kwaakkoren in de voortplantingstijd. Een vrouwtje legt in een seizoen 400-3500 eieren verdeeld over meerdere klompen. Afhankelijk van de temperatuur komen de eieren na 1-2 weken uit, de larven zijn 5-8 mm lang. Ze metamorfoseren na 2-4 maanden, bij een lengte van 5-7 cm. De pas gemetamorfoseerde kikkertjes zijn 2-2,5 cm lang. Na 2-3 jaar zijn ze volwassen. Poelkikkers zijn minder aan water gebonden dan de andere groene kikkers. Na de paartijd brengen zij de meeste tijd op het land door, alleen bij droogte gaan ze weer terug naar water. Vanaf eind augustus begeven ze zich richting overwinteringplaats op het land. Ze voeden zich vooral met insecten, spinnen, slakken en wormen. Grootste vijanden zijn zoogdieren als marter en vos, vogels als reigers en ooievaars evenals ringslangen en roofvissen. Overwintert meestal ingegraven op het land.

Trefkans
Grootste kans in voortplantingstijd (mei-juli). De dieren verzamelen zich dan en vormen grote kwaakkoren.

Roep
Gonzend, ratelend, knorrend, in toon oplopend "rè - rè - rè" en "auwck...auwck...auwck...". Elkaar snel opvolgende, korte pulsen tot 1,5 seconde lang. De pulsen volgen elkaar sneller op dan bij de bastaardkikker. Kwaakt vooral 's avonds, maar op warme, zonnige dagen ook overdag.

%LABEL% (%SOURCE%)