Epidalea calamita

Rugstreeppad

Uiterlijke kenmerken
Middelgrote, gedrongen pad. Droge, wrattige huid. Brede, korte kop met ronde snuit. Lichaamslengte tot 7,5 cm. Horizontale, ellipsvormige pupil. Iris citroengeel tot geelgroen. Grote, vlakke, parallelle parotoïden. Trommelvlies zichtbaar, maar onduidelijk. Rug grijs, bruin, gelig of groenig. Grote verspreid staande wratten op de rug. De wratten zijn meestal roodbruin. Midden over de rug een smalle gele lengtestreep. Soms een onregelmatig patroon van donkere, groenige vlekken. Buik grijs tot vuilwit, vaak met donkere vlekjes. Relatief korte achterpoten met matig ontwikkelde zwemvliezen. Mannetjes zijn iets kleiner dan vrouwtjes, met dikkere voorpoten en in de paartijd donkere paringskussens op de eerste drie vingers en een blauwige tot paarse keel (kwaakblaas). Buiten het paarseizoen is de keelhuid van mannetjes donker gekleurd, bij vrouwtjes crèmekleurig.

Verspreiding
Komt in een groot deel van West en Midden Europa voor. Ook in delen van Oost Europa tot aan de Oekraïne. In Nederland vooral in de duinen, het rivierengebied en delen van de polders in Noord- en Zuid-Holland, Zeeland en Flevoland. Ook op de waddeneilanden en op hogere zandgronden. Niet in de veengebieden van Groningen, Friesland en Drenthe.

Biotoop
In noorden van verspreidingsgebied, dus ook in Nederland, in open, zandige gebieden zoals duinen, open rivieroevers, stuifzanden en heidevelden. Ook op industrieterreinen, militaire oefenterreinen en in zandgroeves. Ze hebben een voorkeur voor dynamische milieus en verschijnen vaak als eerste in nieuw ontstane biotopen als afgravingen en opgespoten land. Een echte pionierssoort. Voor de voortplanting worden meestal ondiepe, vegetatiearme, tijdelijke kleine wateren gebruikt. In Zuid Europa in meer verschillende habitats, in Spanje tot op 2200 meter hoogte.

Levenswijze
Vooral in de schemer en 's nachts actief, jonge dieren soms ook overdag. Is goed in staat nieuw ontstane habitats te koloniseren, heeft geringe binding met voortplantingswater. Begeeft zich soms kilometers ver van water. Voortplantingstijd meestal van april tot in juni. De trek is meer verspreid en niet zo massaal als die van de gewone pad. Plant zich het liefst voort in ondiep, zonbeschenen, spaarzaam begroeid water, vaak in pas ontstane en/of tijdelijke plasjes. Soms ook in brak water. Legt, vooral in april en mei, 1-2 meter lange eisnoeren met 2000-4000 eitjes. Deze zijn aanvankelijk paarsgewijs gerangschikt, maar door oprekking worden zij vaak enkelvoudig. Afhankelijk van de watertemperatuur komen de larven na 2-12 dagen uit. Ze zijn dan 6-8 mm lang en ontwikkelen zich zeer snel. Ze worden tot 3 cm lang. De larven voeden zich aanvankelijk vooral met plantaardig materiaal zoals algen en gaan geleidelijk over op dierlijk voedsel zoals insecten en wormen. Vaak metamorfoseren ze al na 1 tot 2 maanden. De pas gemetamorfoseerde padjes zijn 6-12 mm lang en zijn in het begin dagactief. Vlak voor het einde van de metamorfose wordt de rugstreep zichtbaar. Ze zijn meestal na 2 jaar volwassen. Rugstreeppadden kunnen goed tegen een verhoogd zoutgehalte in het water en hoge watertemperaturen. Bij verstoring rent hij meestal weg (als een muis), maar kan ook kleine sprongen maken. Kan goed klimmen en graven. Zit overdag ingegraven in de grond, vaak onder stenen en planken etc. Overwintert aan land, ingegraven in de grond.

Trefkans
's Avonds afgaan op hun roep. Ook zijn ze 's avonds te vinden door met een zaklamp op geschikte plekken te gaan zoeken.

Roep
Luid, ratelend "èr…èr…èr…" en heel vérdragend. Doet denken aan geluid van veenmol of nachtzwaluw, maar is duidelijk harder. Roept voornamelijk 's nachts, begint kort na zonsondergang. Soms ook overdag te horen.

%LABEL% (%SOURCE%)